logo

Schuldhulpverlening, Coaching & Advies
Ooysedijk 13
6522 KT Nijmegen
Email: info@oxyz.nl
Telefoon: 024-820 0733
KvK: ********
BTW: NL *********.B01

Dossiernummer:
Wachtwoord:

Brochure OXYZ
Brochure OXYZ
Rechtbank Zutphen

Zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, C/05/295 515

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.187.471

(zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, C/05/295 515)

 

arrest van 23 mei 2016

inzake

 

Hendrike Martine N, handelend onder de naam Stx,

wonende te Laren, gemeente Lochem,

appellante, hierna: N,

advocaat: mr. R.F. van der Vliet.

en

1. de Ontvanger van de Belastingdienst/Midden- en Kleinbedrijf,

kantoorhoudende te Doetinchem,

hierna: de Belastingdienst;

2. de Openbare maatschap Boskamp en Willems Advocaten en haar maten,

gevestigd te Eindhoven,

hierna: Boskamp en Willems;

3. Hendrik Jan B, handelende onder de naam Edx,

wonende te Markelo,

hierna: B;

4. de Gemeente Lochem,

zetelende te Lochem,

hierna: de Gemeente,

verweerders.

1. Het-geding in eerste aanleg

 

1.1 N heeft bij de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, op 19 november

2015 een verzoekschrift tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling ingediend.

Daarbij is tevens verzocht om de weigerachtige schuldeisers te bevelen in te stemmen met

een vóór indiening van het verzoekschrift aangeboden schuldregeling als bedoeld in artikel

287a van de Faillissementswet (Fw).

 

1.2 Bij vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 4 maart 2016 is

het verzoek van N om de weigerachtige schuldeisers, Belastingdienst Doetinchem,

Dagmar D., gemeente Lochem, Brink B.V., Centraal Justitieel Incasso Bureau (CJIB)

en Edx te bevelen om in te stemmen met een vóór de indiening van het

verzoekschrift aangeboden schuldregeling als bedoeld in artikel 287a Fw, afgewezen.

Aangezien “namens N ter zitting van de rechtbank is verklaard dat zij het

schuldsaneringsverzoek wenst in te trekken indien de gedwongen schuldregeling niet tot

stand komt, heeft de rechtbank het desbetreffende verzoek als ingetrokken beschouwd en

verder onbesproken gelaten.

 

2. Het geding in hoger beroep

 

2.1 Bij ter griffie van het hof Op 14 maart 2016 ingekomen verzoekschrift is N in

hoger beroep gekomen van voornoemd vonnis en heeft zij het hof verzocht dat vonnis te

Vernietigen en, Opnieuw ‘recht doende, verweerders te bevelen om met de door haar aan alle

schuldeisers aangeboden schuldenregeling in te stemmen.

 

2.2 Het hof heeft kennisgenomen van het verzoekschrift met bijlagen, alsmede van de

brieven van de Gemeente en van Boskamp en Willems van 3 mei 2016.

 

2.3 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden Op 12 mei 2016, waarbij N is

verschenen in persoon, bijgestaan door haar advocaat, vergezeld van W. Broer, financieel

adviseur, en J.A. Tol, schuldhulpverlener. Namens de Belastingdienst is verschenen

F.A.M. Gerritsen en namens Edx, B.

Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft F.A.M. Gerritsen namens de

Belastingdienst een overzicht van de schuldpositie per 10 mei 2016 van N aan de

Belastingdienst overgelegd.

 

3. De motivering van de beslissing in hoger beroep

 

3 .1 Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is het volgende gebleken. N, geboren

Op 19 december 1984, exploiteert de eenmanszaak Stal Haarman, handelend onder de namen

Stal Haarman en De Meiden van Haarman. De totale schuldenlast van N bedraagt

343 ‚407,7 1. N heeft een schuldregeling aan de schuldeisers aangeboden, inhoudende

een betaling van 20% aan de preferente schuldeisers en een betaling van 10% aan de

concurrente schuldeisers van de totale vordering tegen finale kwijting. Het aanbod wordt

gefinancierd door de opbrengst verkregen uit de in juni 2015 verkochte, niet voor de

bedrijfsvoering noodzakelijke, paarden en het benutten van ruimte op het rekening-

courantkrediet van de onderneming van N, aangehouden bij de Rabobank. De Rabobank

heeft die ruimte op de rekening-courant beschikbaar gesteld.

In hoger beroep gaat het om vier van de in totaal negenentwintig schuldeisers die niet

akkoord zijn gegaan met het voorstel, te weten

1. de Belastingdienst;

2. Boskamp en Willems (in eerste aanleg aangeduid met Dagmar Dielissen);

3. B;

4. de Gemeente.

 

3.2 De rechtbank heeft het verzoek van N afgewezen, omdat de aangeboden

schuldenregeling niet goed en betrouwbaar is gedocumenteerd, onvoldoende aannemelijk is

gemaakt dat de aangeboden schuldregeling het maximaal haalbare is waartoe N in staat

is. Bovendien achtte de rechtbank de nakoming van het aanbod onvoldoende gegarandeerd.

 

3.3 Nij hof kan zich met de beslissing van de rechtbank niet verenigen. Zij stelt – kort

samengevat – dat de rechtbank er ten onrechte van is uitgegaan dat Brink B.V. en het CJIB

weigerachtige schuldeisers zijn. Nu beide hebben ingestemd met de aangeboden regeling,

resteren dus de in 3.1 genoemde schuldeisers en gaat het dus om een (nog) kleiner aantal van

schuldeisers die niet akkoord willen gaan.

De aangeboden schuldenregeling is volgens haar wel degelijk goed en betrouwbaar

gedocumenteerd. De relatie met de Rabobank is inmiddels weer genormaliseerd. Voor het

voldoen aan de schuldenregeling moet- en kan – deels gebruik worden gemaakt van de

beschikbare ruimte op de rekening-courantfaciliteit.

Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld is de aangeboden schuldenregeling het maximaal

haalbare waartoe zij in staat is. In totaal is thans voor de schuldenregeling een bedrag

beschikbaar van € 52.606,- (in plaats van € 51.870,-), hetgeen gelet Op de verkoopopbrengst

van de paarden en de rekening-courantvoorziening‚ het maximaal haalbare is.

Ten onrechte heeft de rechtbank geoordeeld dat de schuldeisers bij een faillissement een

hogere uitkering tegemoet kunnen zien dan thans is aangeboden. De rechtbank heeft zich

daarbij kennelijk volledig laten leiden door het geheel niet onderbouwde betoog van met

name de Belastingdienst. Ook heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat de nakoming

van de aangeboden schuldenregeling onvoldoende is gewaarborgd. Nf is thans doende

om de beschikbare middelen op een derdenrekening te laten storten, zodat aan de door de

rechtbank gestelde eis kan worden voldaan.

 

3.4 Nu in hoger beroep is gebleken dat de aanvankelijk weigerachtige schuldeisers Brink

B.V. en het Centraal Justitieel Incasso Bureau (CJIB) beide inmiddels ook hebben ingestemd

met de aangeboden regeling, resteren de in 3 .] genoemde vier schuldeisers.

De Gemeente heeft in haar brief van 3 mei 2016 aan het hof bericht niet te zullen verschijnen

bij de behandeling van het onderhavige hoger beroep en aangegeven dat zij evenmin een

zienswijze heeft op de gronden van het hoger beroep.

Boskamp en Willems stellen in hun brief van 3 mei 2016 aan het hof dat zij niet zullen

verschijnen bij de behandeling van het Onderhavige hoger beroep, maar dat het hen niet

duidelijk is of het aanbod van N het maximaal haalbare is, hoe het aanbod is

samengesteld en hoe de positie van de concurrente crediteuren is indien de te saneren

vordering van de Belastingdienst van € 165.413,33 daalt.

B is ter zitting bij het hof in de gelegenheid gesteld zijn positie nader toe te lichten

maar heeft daar geen gebruik van gemaakt en aangegeven te persisteren bij hetgeen hij in

eerste aanleg heeft aangevoerd, namelijk dat hij de nota van € 657‚- aangaande geborduurde

paardendekens, betaald wil zien.

Namens de Belastingdienst heeft de heer F.A.M. Gerritsen verklaard niet akkoord te gaan

met de aangeboden schuldregeling. Hij heeft gesteld te betwijfelen of een pandrecht op

paarden (roerende zaken) mogelijk is, of de Rabobank wel een pandrecht heeft op de paarden

en of in die zin de Rabobank kan beslissen over het aantal te verkopen paarden en daarmee

dus in feite de hoogte van het aanbod bepaalt. Hij stelt voorts dat de Belastingdienst een

vordering heeft op N van € 17.000,- die niet is meegenomen in het schuldaanbod.

 

3.5 Het hof overweegt ten aanzien van het verzoek van Nijhof om de weigerende

schuldeisers te bevelen in te stemmen met de aangeboden schuldregeling als volgt.

Op grond van artikel 287a lid 5 Fw wordt een dergelijk verzoek toegewezen, indien de

schuldeiser in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de aangeboden

schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het

belang dat hij heeft bij de uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van

de schuldenaar of van de overige schuldeisers die door die weigering worden geschaad. Bij

de beoordeling van een verzoek als het onderhavige geldt als uitgangspunt dat het iedere

schuldeiser in beginsel vrij staat te verlangen dat zijn vordering volledig wordt voldaan,

zodat niet snel geoordeeld kan worden dat een schuldeiser in redelijkheid niet tot de hiervoor

bedoelde weigering heeft kunnen komen. Bij de te maken belangenafweging spelen alle

omstandigheden van het geval een rol.

 

3.6 De door N aangeboden schuldregeling komt het hof goed en betrouwbaar

gedocumenteerd voor en het is bovendien getoetst door een onafhankelijke en deskundige

partij, te weten schuldhulpverleningsorganisatie Oxyz Huizen. Juist is dat in het voorjaar van

2014 het adviesbureau BTB een negatief advies aan de Gemeente had uitgebracht over het

verstrekken van een BbZ-krediet. Echter, nadat de Rabobank aan de heer Broer Opdracht had

gegeven een memorandum uit te brengen over de levensvatbaarheid van de onderneming,

heeft de Gemeente Op advies van Broer een aanvullend advies aan BTB gevraagd, mede

omdat zich ten aanzien van de onderneming een aantal ontwikkelingen hadden voorgedaan.

Deze ontwikkelingen zijn helder in de stukken terug te vinden en verklaren, naar het oordeel

van het hof, ook de telkens verschuivende situatie van de onderneming. Ter zitting heeft

Broer bovendien verklaard dat hij twee gesprekken met BTB heeft gevoerd en zij hun

aanvankelijk advies aan de Gemeente in positieve zin hebben bij gesteld. Het door Broer

opgestelde memorandum van 26 maart 2015 beoordeelt het hof als voldoende betrouwbaar.

 

3.7 Als niet, dan wel onvoldoende gemotiveerd betwist, staat vast dat voor de

schuldenregeling een bedrag beschikbaar is van € 52.606,-, dat € 26.000,- van dit bedrag is

verkregen door de verkoop van paarden van N, op welke paarden een pandrecht rust bij

de Rabobank en op grond van welk pandrecht de bank als pandhouder uiteindelijk beslist

over het maximaal aantal te verkopen paarden. De twijfels die de Belastingdienst – voor het

eerst- tijdens de zitting in hoger beroep heeft geuit over het pandrecht op de paarden van de

Rabobank, acht het hof – gelet op de door N in het geding gebrachte stukken –

onvoldoende onderbouwd. Omdat N niet in staat is gebleken andere geldschieters te

vinden wordt voor het resterend benodigde bedrag gebruik gemaakt van de beschikbare

ruimte Op de rekening-courantfaciliteit, met welke bestemming de Rabobank akkoord is

gegaan. Op grond van het voorgaande acht het hof voldoende aannemelijk dat het aanbod

van N het maximale is waartoe zij financieel in staat moet worden geacht.

 

3.8 Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft mr. Van der

Vliet verklaard dat thans het voor de schuldenregeling beschikbare bedrag van € 52.900,-

thans geheel Op zijn derdenrekening is gestort en daarmee beschikbaar is voor de aangeboden

schuldenregeling.

 

3.9 Namens de Belastingdienst is bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger

beroep desgevraagd verklaard dat er in de toekomst sprake zal zijn van een vordering op

N van € 17.000; aangaande omzetbelasting, maar dat de inspecteur over het opleggen

van die aanslag nog een beslissing moet nemen. Ter zitting is namens N toegelicht dat

het hier gaat om een suppletievordering, waarmee in het aanbod reeds rekening is gehouden

en dat buiten deze suppletievordering er geen andere vorderingen zijn, buiten de ter zitting

door Gerritsen toegelichte vordering van € 3.004. Het hof stelt vast dat in het ter zitting

namens de Belastingdienst overgelegde overzicht schuldpositie per 10 mei 2016 volgt dat de

saneerbare vordering van de Belastingdienst € 3.004,- bedraagt. Het hof is van oordeel dat de

Belastingdienst haar stelling dat zij bij faillissement van N haar schuld volledig zal

kunnen verhalen, gelet op de positie van de Belastingdienst ten opzichte van de Rabobank als

pandhouder, onvoldoende heeft onderbouwd. Zoals hiervoor reeds overwogen, gaat het hof

uit van een pandrecht van de Rabobank mede ten aanzien van de paarden. Tegenover het (in

eerste aanleg reeds gevoerde en) onderbouwde verweer van N dat de bedrijfsopstallen

niet een zodanige waarde vertegenwoordigen dat – na voldoening van de hypotheekhouder

in ieder geval de Belastingdienst volledig kan worden voldaan, heeft de Belastingdienst geen

nadere voldoende onderbouwde stellingen betrokken, zodat die stelling wordt gepasseerd.

 

3.10 Met het voorgaande zijn, naar het oordeel van het hof, de door Boskamp en Willems

geformuleerde twijfels of het aanbod het maximaal haalbare is en op welke wijze het aanbod

is gefinancierd ook voldoende weggenomen. Ook heeft mr. Van der Vliet in voldoende mate

toegelicht dat de door Boskamp en Willems in de brief van 3 mei 2016 genoemde preferente

schuldenlast van € 165.413,33 niet juist is.

 

3.11 De vordering van B van € 657,- vormt een te gering aandeel (ongeveer 0,2%)

van de totale Schuldenlast van N om daarmee het belang van N bij een

schuldregeling opzij te zetten. Dit geldt ook indien het aandeel van B in samenhang

wordt gezien met de overige drie weigerachtige crediteuren. Het totale belang van deze

weigerachtige crediteuren is thans ongeveer20% van de totale schuldenlast.

 

3.12 Op grond van al het voorgaande dient de vraag of de weigerachtige schuldeisers in

redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling hebben kunnen komen,

in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat zij hebben bij de

uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van N of van de belangen

van de overige schuldeisers die door die weigering worden geschaad, bevestigend te worden

beantwoord. Voorts is niet, dan wel onvoldoende gemotiveerd gesteld of gebleken dat de

schuldeisers in geval N in staat van faillissement zal verkeren, uiteindelijk meer zouden

ontvangen dan de op grond van het huidige akkoord aangeboden 10% dan wel 20%. Uit de in

randnummer 34 en 35 van de brief van 25 februari 2016 opgenomen berekening volgt,

onweersproken, dat de schuldeisers bij het thans voorliggende aanbod meer ontvangen dan in

de situatie dat N failliet gaat.

 

3.13 Alle feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien is het hof

van oordeel dat het hoger beroep slaagt. Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en

er zal als volgt worden beslist.

 

4. De beslissing

 

Het hof, recht doende in hoger beroep:

 

vernietigt het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 4 maart 2016

en, opnieuw rechtdoende:

 

beveelt de schuldeisers:

1. de Belastingdienst;

2. Dagmar Dielissen (Boskamp en Willems Advocaten);

3. Hendrik Jan B (Edx);

4. Gemeente Lochem,

 

in te stemmen met de door N aangeboden schuldregeling.

 

Dit arrest is gewezen door mrs. Ch.E. Bethlem, H. Wammes en S.M. Evers, en is op 23 mei 2016 in het openbaar uitgesproken door mr. L.J. de Kerpel-van de Poel in tegenwoordigheid van griffier.

Bron: Gerechtshof Arhem-Leeuwarden

De namen van personen N, B, Stx en Edx zijn fictief. Deze personen zijn geanonimiseerd weergegeven.